Verschenen in Ons Amsterdam (juni 2004).

print

Het andere Zuidoost


Amsterdam Zuidoost is voor de meeste Amsterdammers synoniem met de Bijlmer ten tijde van de hoogbouwflats, dat niet het paradijs werd dat de stadsplanners voor ogen stond. Maar er is nog een ánder, kleinschaliger en kneuteriger Zuidoost, waarover zelden iets in de krant staat, omdat het er bijna altijd zondagmiddag is: Gaasperdam.

Gaasperdam, ten zuiden van de Bijlmermeer, is nu in doorsnee zo’n kwarteeuw oud; Nellestein (het noordelijkste deel) zelfs precies 25 jaar; dat wordt deze zomer ook gevierd. Gaasperdam werd gebouwd tussen 1974 en 1988 ten zuiden van de Bijlmer. Een strak grondplan is niet te ontdekken; Gaasperdam is een lappendeken, al is er wel een duidelijk middelpunt: de Gaasperplas. Daaromheen liggen een paar losse wijken: Holendrecht (West en Oost), Nellestein, Reigersbos (1-4) en Gein (1-4), met samen zo’n 14.600 woningen. Dwars langs en door Gaasperdam lopen twee metroroutes: lijn 53, die via Diemen naar station Gaasperplas leidt, aan de noordkant van die plas, en lijn 54 (de ‘Geinlijn’) die via de stations Holendrecht (bij het AMC) en Reigersbos naar eindpunt Gein gaat, aan de zuidkant van de Gaasperplas. De wijken zijn verbonden en gescheiden door wat autowegen en groene routes voor fietsers en wandelaars.

Reactie op Bijlmerproblemen
De geschiedenis van Gaasperdam is niet makkelijk te achterhalen. Terwijl de verhalen en de meningen over de Bijlmer ontelbaar zijn, is over Gaasperdam opvallend weinig geschreven. Kennelijk zijn er noch grote problemen, noch grote successen te rapporteren.
De verhalen over Gaasperdam gaan vooral over de stedenbouw en de architectuur en zijn eenvoudig samen te vatten. Gaasperdam, qua oppervlakte iets groter dan de Bijlmer maar met ongeveer zeventig procent van het aantal inwoners, werd al snel gekarakteriseerd als truttig, on-Amsterdams, saai, een wijk met slecht geïsoleerde huizen en clichématige architectuur - maar ook als groen, weids en ontzettend rustig.
Het ontwerp van de wijk was een reactie op, maar tegelijkertijd ook een voortzetting van het Bijlmer-concept, met zijn strikte scheiding tussen wonen, werken, voorzieningen en verkeer. Al toen de Bijlmer in aanbouw was, kwamen er discussies op gang over de stedenbouwkundig opzet. Er werd gemord over de grote van de woongebouwen, de vormgeving en de structuur van het gebied waar mensen op honderden meters afstand van de woningen hun auto moesten parkeren in grote parkeergarages.
Erik Klusman (63), toentertijd werkzaam bij de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente: ‘De plannen voor de Bijlmer waren heel idealistisch en ontworpen naar de tijdgeest. Communes waren in de mode; we wilden alles samendoen. In de Bijlmer met haar collectieve voorzieningen zou alles goed komen, de auto zou ons niet meer dicteren tot aan de voordeur en de kinderen zouden ongestoord buiten kunnen spelen. Het zou er een groot feest worden. Fantastisch! Ik ging er zelf ook wonen.’
De werkelijkheid werd anders. De oorspronkelijke ontwerpplannen, radicaal en vernieuwend voor hun tijd, werden lang niet gerealiseerd. En het beheer van de openbare ruimten bleek duur en was slecht georganiseerd. Al gauw vertrokken de eerste bewoners met kinderen naar plekken elders waar ze een huis met een tuintje konden krijgen. Hiermee verdween tevens een sociale laag die het collectieve leven moest dragen. Voor hen in de plaats kwamen vele nieuwkomers uit Suriname, dat in 1975 onafhankelijk werd. Vele voormalige ‘rijksgenoten’ zochten op de valreep hun economische heil in Nederland, vooral in Amsterdam. Hun leefstijl beantwoorde niet steeds aan de verwachtingen van de Bijlmerontwerpers.
Gaasperdam zou oorspronkelijk volgens hetzelfde concept worden opgezet als de Bijlmer. Maar door de tegenvallende ervaringen met de Bijlmerhoogbouw, moest het voor een deel anders. ‘Bij de uitwerking zal worden gelet op de menselijke schaal van ruimtes, op vorm-, materiaal- en kleurvariatie en op een goed microklimaat (beslotenheid van ruimtes) en op mogelijkheden van veelsoortig gebruik van ruimtes’, aldus het bestemmingsplan Gaasperdam uit 1975. Hoogbouw zou nog maar in beperkte mate voorkomen. De bewoners zouden hun auto niet meer hoeven opbergen in verafgelegen parkeergarages maar voornamelijk in straten en op pleinen aan de rand van hun wijk. In de nieuwste wijken zou de auto zelfs meer ruimte krijgen, ten koste van het voetgangersgebied. De bebouwing zou voor een groot deel bestaan uit het bekende Nederlandse concept: flats van maximaal vier lagen met portieken en trappen, zonder lift. Aan de rand, richting polder, zou laagbouw komen.

Competentieconflicten over Holendrecht
Gaasperdam moest een deel van de bewoners uit de oude 19de-eeuwse stadswijken herhuisvesten. In de praktijk trok Gaasperdam ook veel ontevreden Bijlmerbewoners aan. Met die ervaring moest rekening worden gehouden, vonden sommige planners van Gaasperdam. Andere ambtenaren gingen liever zo veel mogelijk door op de oude weg, herinnert Erik Klusman zich. Die tegenstelling kreeg de vorm van een stammenstrijd tussen de gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting (die van oudsher ging over nieuwbouw in gebieden waar al mensen woonden) en Stadsontwikkeling (die de leiding had in nieuwe stadsgebieden). Klusman: ‘Het was een strijd die al van oudsher bestond tussen de sociale sector en ingenieurs. De dienst Stadsontwikkeling had de omstreden Bijlmer bedacht en had daarmee krediet verspeeld. Daarna mocht Stadsontwikkeling nog wel meedoen aan de aanleg van Gaasperdam, maar Volkshuisvesting werd de belangrijkste partij. Die trok in een vroeg stadium al architecten van buiten aan, terwijl Stadsontwikkeling liever eerst zelf alles tot in details uitzocht.’
Bij de bouw van de eerste wijk, Holendrecht, ging het mis, weet Klusman. ‘Na de bouw van Holendrecht West, dat veel groen liet tussen de flats om ook de bewoners van hoger gelegen etages een tuintje te geven, was Holendrecht Oost in 1979 aan de beurt. Er lag een plan klaar voor zo’n 800 laagbouwwoningen, maar het Grondbedrijf eiste ineens dat er duizend woningen zouden komen. Anders zou het niet kostendekkend zijn. Dat gaf Stadsontwikkeling weer een mooie aanleiding zich te ontdoen van die eigenwijze externe architecten. Ze trok de leiding weer naar zich toe en maakte binnen een kwartaal een nieuw plan.’
Stadsontwikkeling had tussen 1979 en 1985 ook de leiding bij de bouw van 1500 woningen in Nellestein aan de Gaasperplas. Met flats van vijf tot negen woonlagen die als strooigoed in het gebied liggen, lijkt Nellestein qua opzet nog het meest op de Bijlmer. Maar de regels zijn er minder strikt. Zo moest de auto ook hier in een parkeergarage of op een parkeerplek worden opgeborgen, maar bewoners mochten haar ook voorrijden als dat nodig was.
Klusman: ‘Bij de planning van Gaasperdam gingen wij uit van gemiddeld 3,2 personen per woning, terwijl het er bijvoorbeeld in Nellestein nog geen twee werden. Dit, een andere bestedingspatroon en koopgedrag – mensen gingen ineens met hun auto naar een verder gelegen supermarkt – had consequenties voor het aantal en de grootte van de winkels. In Nellestein hadden wij één supermarkt en zeven winkels geprogrammeerd. Uiteindelijk werd het één kleine supermarkt.’

Falende samenwerking in Reigersbos
Vanaf 1976 was Klusman tweeëneenhalf jaar projectleider voor het plangebied van Reigersbos 1 waar de eerste woningen in 1980 verschenen. In die tijd bedacht het ontwerpteam onder andere winkelcentrum Reigersbos en omgeving, waar veel voorzieningen, zoals de enige kerk, bibliotheek en middelbare school van Gaasperdam, en metro Reigersbos samenkomen. Klusman herinnert zich moeizame overleggen met betrokkenen uit die tijd.
‘Wij wilden de strikte scheiding tussen woningen en voorzieningen opheffen in het winkelcentrum. Toen ik onze ideeën aan de commissie Winkelplanning moest uitleggen, waren ze des duivels. Met woningen boven de winkels moesten ze een deel van hun etalages afstaan voor de entrees van de woningen. De directeur van de Metro wilde weer een apart gebied voor metrostation Reigersbos, dat wij midden in het winkelcentrum hadden gepland. Wij vonden dat de entree van een metrostation niet moest domineren en niet groter hoefde te zijn dan een winkelruimte. Er kwam toch al steeds meer beton bij in de wijk. Iemand van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf had weer enorm commentaar op onze plannen voor een bejaardencomplex in de buurt van het winkelcentrum. Ze vonden het een schande, want het waren hun klanten niet.’
De slechte coördinatie bij de gemeente leidde tot rare toestanden bij de uitwerking van de P- en R-buurt ten noorden van het winkelcentrum, weet Klusman. Voor de toekomstige bewoners van de begane grond in de Renswoudestraat had hij bijvoorbeeld een voortuin gepland en voor de bewoners van de bovengelegen etages een stuk tuin in de binnentuin. Toen de woningen klaar waren, bleek dat de architect op de begane grond amper woningen had ontworpen.
Langs een deel van de Passewaaigracht kregen de woningen een tuin aan de glooiende waterkant; maar een andere ambtenaar situeerde daar op de begane grond garages en boxen, zodat die tuinen nu alleen via een buitentrap vanaf eenhoog bereikbaar zijn… Klusman voelt de ergernis weer opkomen. ‘Het had allemaal veel beter gekund. De verschillende diensten die bij de bouw van Gaasperdam betrokken waren, werkten behoorlijk langs elkaar heen.’
De verdeling van de woningen lag in handen van de Gemeente Dienst Herhuisvesting. Henriëtte Loogman onderzocht tussen 1982 en 1985 bij deze dienst de belangstelling voor en de toewijzing van woningen in diverse wijken in Reigersbos en Gein. ‘De belangstelling was altijd heel groot’, zegt Loogman die zich herinnert dat bijvoorbeeld in Reigersbos 3, dat in opdracht van verschillende woningbouwcorporaties door architecten ontworpen is, en Reigersbos 4, dat grotendeels bestaat uit laagbouw, de inschrijvingen het aanbod sterk overtroffen.
De vraag naar eengezinswoningen was sowieso erg groot. Loogman: ‘Daarvan werd redelijk veel gebouwd, terwijl ze amper in de stad te vinden waren. De Bijlmer had er wat en ze stonden op hele kleine strookjes in de Westelijke Tuinsteden, maar die huizen waren piepklein.’ Het waren veel bewoners uit deze wijken die op Gaasperdam afkwamen, weet Loogman. ‘De Bijlmerbewoners wilden een aantrekkelijke woning in hun eigen wijk, terwijl de mensen uit West voornamelijk op de ruimere eengezinswoningen afkwamen.’ Bewoners uit negentiende-eeuwse gordel hadden minder belangstelling voor Gaasperdam, weet Loogman. ‘Ze verwachtten er een soort Bijlmer en de afstand vanuit de stad ervaarden ze als zeer groot.’
Wat voor mensen er wel op de woningen afkwamen, hing nauw samen met het aanbod. Loogman: ‘Gein 1 en 2 (uit 1982-1983) hadden uitsluitend etagewoningen waar veel jongeren op afkwamen. Zo’n 45 procent was jonger dan dertig jaar. Gein 1 had bovendien heel veel hat-woningen, groepswoningen, atelierwoningen en woningen voor bejaarden.’
Gein 3 (gebouwd in 1985-1986) was weer een apart verhaal. De financiering van deze wijk kreeg de gemeente niet goed van de grond. Door ingrijpen van toenmalig wethouder Jan Schaeffer werd deze hele wijk bebouwd met (premie)koopwoningen. Gein 4, ook wel de wethoudersbuurt genoemd en ook een project van Schaefer, bestond weer voornamelijk uit eengezinswoningen en gestapelde laagbouw. Loogman: ‘Hierop kwamen veel mensen af met betere inkomens. De meesten hadden kinderen en 80 procent van de inschrijvers was niet urgent woningzoekend. De woningen bleken dus aantrekkelijk te zijn voor doorstromers.’
In deze wijk woont sinds zeven jaar Jenny van Dalen met haar Kameroense man en zoon. Zo’n negentien jaar geleden kwam ze naar Gaasperdam nadat ze het Kwakoe-festival had bezocht. Ze was net naar Puerto Rico en de Dominicaanse Republiek geweest en zag op het Kwakoe-festival hetzelfde als op de Cariben: een enorme mix aan bevolkingsgroepen. ‘Ik ging mij afvragen wat ik nog moest in dat saaie Amersfoort waar ik toen woonde.’
Nadat ze zich had ingeschreven voor een woning in Zuidoost, kwam ze terecht in de P-buurt in Reigersbos 1, de buurt die volgens Klusman veel mooier had gekund. Maar Van Dalen vond het mooi genoeg. ‘Ik stapte de woning in en keek uit op een prachtig weids groen gebied, het water van de Gaasperplas en speeltoestellen voor mijn kinderen. Voor de deur waren mensen aan het langlaufen.’
De openheid waarmee ze werd aangesproken en begroet op straat en de vele verschillende culturen om haar heen, maakte haar enthousiast voor de buurt, ook al stond deze een paar jaar na oplevering al als negatief bekend en kende ze een zeer hoge verhuizingsgraad. Van Dalen: ‘Mensen vertrokken naar andere wijken in Gaasperdam of Almere. De woningbouwvereniging had me nog gewaarschuwd toen ik de woning accepteerde. Ik kon ook een half jaar wachten op een woning in de als beter bekend staande S-buurt in Reigersbos 4.’

Barbecuen aan de Gaasperplas
In deze buurt en andere wijken van Gaasperdam ziet ze op dit moment de bevolking erg veranderen. ‘Sinds de vernieuwing van de Bijlmer komen veel Afrikanen naar Gaasperdam.’ En met name zij vieren heel veel party’s, weet Van Dalen die daar zelf regelmatig te vinden is. ‘Elke begrafenis, overlijden van een familielid of goede vriend in Afrika, geboorte, eerste verjaardag van een kind en gedenkdag geeft reden voor een feest waar iedereen welkom is. Dit geeft natuurlijk veel burenoverlast.’
Deze overlast zou volgens haar opgelost kunnen worden, als er genoeg buurtcentra zouden zijn waar deze mensen een goedkope ruimte kunnen huren. Van Dalen: ‘Maar in Gaasperdam is geen enkele collectieve ruimte. De buurtcentra van vroeger zijn activiteitencentra geworden die van uur tot uur zijn volgepropt. Vrouwen- en bewonersgroepen, de vogeltjesvereniging, kerken en een Surinaamse groep die hun cultuur over willen dragen op jongeren, hebben de ruimtes al op jaarbasis afgehuurd. Hierdoor heeft zelfs ons Gaasperdammer opera en operettekoor geen ruimte voor uitvoeringen, want een theater hebben we hier ook al niet.’
Eigenlijk heeft de wijk niets specifieks, weet Van Dalen, die Gaasperdam de slaapkamer van de Bijlmer noemt. Of het moet de Gaasperpark zijn, een erfenis van de Floriade uit 1982. ‘Dat is echt een unieke plek geworden met een groot wandelgebied.’ En de Gaasperplas natuurlijk, die van 1969 ontstond door daar midden in de Gaasper- en Geinpolder de geweldige massa’s zand uit te graven waarop Gaasperdam zou worden gebouwd. ‘Dat is een leuk recreatiegebied geworden waar mensen veel picknicken en barbecuen.’
Tussen 1985 en 1992 kwam ze er elke zomer met een groep vrienden. ‘Heel vaak ontmoeten we daar verschillende andere buurtbewoners met wie we spontaan etentjes of barbecues organiseerden. Iedereen haalde wat van huis en wie mee wilde eten, schoof aan. Ik herinner me Israëlische muzikanten en asielzoekers uit veel verschillende landen. Tegenwoordig zijn er weer steeds meer Afrikanen te vinden die hier hun feesten organiseren.’